Wat loopt daar? De mens volgens Midas Dekkers

Bioloog, presentator en schrijver Midas Dekkers (1946) heeft al zo’n vijftig boeken op zijn naam staan. Dieren vormen een rode draad in zijn oeuvre en voor Dekkers is de tijd rijp voor een boek over het meest interessant dier: de mens.

Tekst: Ela Colak
Afbeelding: Gustav Mützel
Bestel Wat loopt daar? via Paagman.nl

In zijn grootse werkkamer vol boeken, antieke meubelen, schedels en opgezette dieren, spreken we Neerlands vooraanstaande bioloog over taboes, zijn helden en het tegengaan van racisme.

In de afgelopen decennia durfden weinig wetenschappers hun licht te schijnen op variatie in menselijke rassen. Met zijn onbevangen biologische blik waagt Dekkers zich aan dit onderwerp, dat wederom resulteert in een uiterst vermakelijk en spitsvondig boek. En zoals we van Dekkers gewend zijn, ontbreekt het in Wat loopt daar? Een biologische kijk op rassen ook niet aan ironie.

Hoe is uw boek tot stand gekomen? Heeft u door de jaren heen allerlei wetenswaardigheden verzameld of bent u op onderzoek uitgegaan?

‘Ik ben mijn leven lang met dit boek bezig geweest. Vroeger moest je als ambachtsman een meesterstuk maken. Mijn ambitie was dat dit de mijne zou worden, de kroon op het werk. Het hoogste wat je als bioloog kan doen, is schrijven over de mens. Niet omdat de mens het hoogste wezen is, dat geloven wij biologen niet. Wel omdat dat het moeilijkst is om over te schrijven, omdat je met allerlei maatschappelijke problemen in aanraking komt.’

Vanwaar die behoefte om hier dan toch, wetende dat het glad ijs is, in te duiken?

‘Omdat het wortelt in onze geschiedenis. En omdat ik van oorsprong een taxonoom ben. Het vak van een taxonoom is overeenkomsten en verschillen zien, en kijken of je op grond daarvan bijvoorbeeld de mens op kunt splitsen, in de hoop dat je een beter overzicht en misschien zelfs inzicht krijgt. Als ik nu in een boekenwinkel kom, zie ik een kast vol met boeken over racisme, maar een boek over ras zit er niet bij. Als ik dan naar de biologie-afdeling ga, staan daar boekenkasten vol met alle vlindersoorten of paddenstoelensoorten. Maar een plankje met de verschillende soorten mensen die er bestaan, is niet te vinden. Niemand heeft zich daaraan gewaagd. Dus ik dacht: als er iemand is die het kan doen… Dat klinkt een beetje hooghartig, maar ik bedoel gewoon gezien mijn leeftijd en dat het toevallig mijn vakgebied is.’

Is het altijd moeilijk geweest om over menselijke rassen te schrijven?

‘Het hing ervan af over welk ras je het had. In de Tweede Wereldoorlog zijn er natuurlijk verschrikkelijke dingen gebeurd met Joden en Sinti, dat is toen taboe geworden. Het schrijven over zwarte mensen kon je in Nederland nog zonder al te veel problemen tot ver in de jaren zeventig doen, maar ook dat kwam daarna in een taboesfeer terecht. Het vervelende van een taboe is alleen dat er niet meer open over wordt gesproken. Voor je het weet ontstaan er dan misverstanden en als er niemand is die de misverstanden uit de weg ruimt, gebeuren er ongelukken. Met dit boek heb ik geprobeerd weer een beetje orde te scheppen op het gebied van de biologische indeling van de mens, vanuit de overtuiging dat ras een biologisch begrip is en een beetje opgehelderd moet worden.’

Er zijn mensen die juist zeggen dat ras een sociaal construct is.

‘Dat is de rode lap die voor mij aanleiding was om dit boek te schrijven. Kijk, er zijn problemen op de wereld, zoals seksisme en racisme, en mensen menen dat probleem op te lossen door te zeggen: er zijn helemaal geen rassen en er zijn helemaal geen seksen. Dan denk ik: zijn jullie blind en doof? Je ziet toch dat de mensen verschillen en dat het min of meer groepsgewijs is? Anders is het maar een amorfe mensenmassa, en dat is ook niks waard.’

Hield u tijdens het schrijven rekening met eventuele reacties die dit boek zou kunnen opleveren? U schrijft bijvoorbeeld over zwarte mensen die vaak dikke lippen hebben en gele mensen spleetogen. In deze tijden hoor je geluiden dat je dit soort termen niet meer mag gebruiken.

‘Maar daarvan worden die lippen niet dunner en die ogen niet wijder, hoor. Natuurlijk heb ik er wel over nagedacht, het is niet zo dat ik het onnadenkend heb opgeschreven. Ik heb echt mijn best gedaan zo weinig mogelijk aanstoot te geven. Want als je aanstoot geeft, dan luisteren mensen niet meer naar je, en ik wil juist dat mensen luisteren en we het erover kunnen hebben. Maar waar ik de grens ook trek: het is voor de een te ver de ene kant op, voor de ander te ver de andere kant. Bij mij ligt de grens in elk geval bij spleetoog, wat ik heel bewust als een anatomisch feit noem en absoluut niet als belediging. Ik ben ook niet op discussie uit, daar heb ik helemaal geen zin in. Ik probeer de mens gewoon zo biologisch mogelijk te benaderen.’

Hoe ziet de mens er dan uit in de ogen van een bioloog?

‘Als ik iemand op straat zie lopen, zie ik echt een beestje dat op zijn achterpoten loopt, maar verder niet zoveel verschilt van de hond die hij aan het andere eind van dat touwtje vastheeft. Ik blijf bij mijn overtuiging dat een mens een beestje is als alle anderen, en dus net als alle anderen in rassen kan worden opgedeeld. En dat het ook goed is om dat te doen, omdat het de boel wat overzichtelijker maakt.’

In het boek schrijft u ook dat observaties over mensenrassen kunnen helpen om racisme tegen te gaan. Op welke manier?

‘Als je ooit het probleem van racisme op wil lossen, dan moet je ook eerst weten wat een ras is. Hiervoor zal je toch naar een deskundige op dit gebied moeten gaan, wat toevallig de bioloog is. Verder is ieder mens van nature continu bezig om de dingen om zich heen in te delen. Een vogelaar, bijvoorbeeld, wil graag weten of een vogel een mus of een spreeuw is, en dit geeft hem vervolgens een band met de vogels. Hetzelfde geldt voor het indelen van mensen. Je doet het niet om ze in een gevangenis op te sluiten, maar om een beetje begrip en houvast te creëren. Als je op een terras zit en iemand voorbij ziet lopen, is het prettig als jouw visie over diegene een beetje klopt. Stel dat ik iemand zie en denk “die lijkt op een Zuid-Afrikaan” en dat blijkt zo te zijn, of zelfs niet zo te zijn, dan krijg ik zin om met zo iemand te gaan praten. Het schept onmiddellijk contact. En wat is er nou mooier dan dat we ons meer verbonden voelen met elkaar?’

Er zijn liberale geluiden die vinden dat je het overal over moet kunnen hebben, dus ook over menselijke rassen. Vanuit linkse hoek hoor je meer dat we voorzichtig moeten zijn, omdat er misbruik van kan worden gemaakt.

‘Natuurlijk kan dat. Je hebt eigenlijk twee soorten mensen die over rassen hebben geschreven: notoire racisten en wetenschappers. Echte wetenschappers zijn zich altijd bewust geweest van het gevaar dat er misbruik van gemaakt kan worden, wat ook de tweede rode lap is die mij tot het schrijven van dit boek heeft gebracht. De Britse schrijver Angela Saini beweert in haar boek Superieur (2019) dat rassen alleen maar zijn uitgevonden om andere mensen naar beneden te drukken. Dat is aantoonbaar onjuist. Ik geloof graag dat Saini zich oprecht druk maakt over alle misstanden die er in een land als Groot-Brittannië zijn, maar ik neem haar heel erg kwalijk dat het niet waar is wat ze schrijft. Ze beweert gewoon dat biologen van vroeger, zoals Carl Linnaeus, een dubbele agenda hadden. Linnaeus is toch een beetje mijn held, na Darwin de grootste bioloog die we hebben gehad. Dat stoort me dan, als mijn held wordt beklad door iemand die hem kennelijk nog nooit heeft gelezen. Dat terwijl Carl Linnaeus en Johann Friedrich Blumenbach, de eerste echte ‘mensindeler’, echt doordrenkt waren van de behoefte om de mensheid als één te zien. Ze hadden juist hele edele motieven.’

In de Verenigde Staten ligt dit onderwerp nóg gevoeliger dan in Groot-Brittannië. Zou dit boek daar volgens u uitgebracht kunnen worden?

‘In Amerika is dit onderwerp intussen zo gepolitiseerd, dat ik niet zeker weet of ik er met een genuanceerde stem tussen zou kunnen komen. Stel dat het gebeurt, dan loop ik grote kans dat het daar als race science wordt weggezet. Maar ik heb de stille hoop dat we in Nederland nog een iets bredere, filosofische basis hebben en ik me hier zo’n boek wel kan permitteren.’

Wat wel populair is, is zo’n DNA-test waarmee je kunt achterhalen wat je etnische afkomst is.

‘Dat dan weer wel. Men wil niet biologisch gedetermineerd worden, maar wel uitzoeken wat hun roots zijn. Die behoefte bestaat bij mensen, omdat ze toch tot een groep willen behoren. Het is een biologische drang; we zijn een sociale diersoort en je moet tot een groep behoren, anders heb je geen overlevingskans. Dat betekent dat je er een moet vormen die moet verschillen van andere groepen. Daar komt onze behoefte naar dat onderscheid vandaan.’

Bent u niet nieuwsgierig naar waar uw voorouders vandaan komen?

‘Dat interesseert me niet zozeer en dat komt waarschijnlijk doordat ik bioloog ben. Ik denk dat mijn gedrag veel meer bepaald wordt door het feit dat ik een aap ben, dan door de vraag wie mijn overgrootmoeder was. Al die dingen die apen doen zitten muurvast in onze genen. Dat kan ik met het eerste de beste goede biologieboek opzoeken, daar heb ik geen DNA-test voor nodig.’

Dit interview werd gepubliceerd in Present van Paagman #5. Verkrijgbaar in de winkels van Paagman met een Paagman Privilege Pas of lees ‘m online.
Tags bij dit verhaal
Geschreven door
Meer van Redactie Paagmag

De wereld blijft doordraaien: Het leven na DWDD

Matthijs van Nieuwkerk heeft met zijn programma De Wereld Draait Door(rrrr) een...
Lees verder